Aanmelden nieuwsbrief Denkstation Utrecht

Blog


7. Autobiografisch schrijven
januari 2019

We zijn met velen die een eigen levensgeschiedenis schrijven. Ik bedoel dat heel serieus en ook letterlijk. Mensen zoeken een schrijfcoach en zijn bezig met ‘hun boek’, een boek over het eigen leven, de unieke gebeurtenissen die zich daarin hebben voor gedaan, het benadrukken van de bijzonderheden in hun leven, de eigen geschiedenis die zich aftekent of al bijna heeft voltrokken. De behoefte aan vastlegging lijkt groot en daarvoor zijn ongetwijfeld vele redenen en oorzaken aan te wijzen. Ik noem ze hier niet maar het diep gewortelde verlangen naar een ‘vaste’ identiteit is er zeker een van. In contrast daarmee zien we dat steeds meer personen zich meerdere identiteiten aanmeten. Maar deze accentuering van diverse persoonlijke voorkeuren binnen één persoon, van snel wisselende uitdrukkingsvormen en meervoudige presentatiewijzen van zichzelf is wat mij betreft met het voorafgaande niet in tegenspraak.

Het is een goede zaak om aan de slag te gaan met je autobiografie. Dergelijk werk levert altijd inzicht op. Psychoanalytici sinds het begin van de 20e eeuw, psychologen, artsen, theologen, humanistisch raadgevers, individueel werkzaam of in groepen, in gevangenissen, opvanghuizen, evenals klassieke filosofen en literatoren zij allen benadrukken de waarde en betekenis van het zelfonderzoek.  De aandachtige, aanhoudende, langdurige reflectie op het eigen leven en de inspanning die het kost om je daar secuur, eerlijk, onbevreesd en onbeschaamd mee uiteen te zetten, ontrafelen jezelf. 

In de spiegel van de taal ontmoet je jezelf eerst en vooral als leugenaar, als lafaard, als een vreesachtig persoon, een valserik, een onbetrouwbaar sujet met misschien af en toe een kortstondig heldhaftig optreden, maar al te vaak ervaar je jezelf als slachtoffer van de omstandigheden. En eenmaal zo uitgetekend, als iemand die als het ware bij toeval en buiten zichzelf om, door onvoorziene gebeurtenissen, door machten die groter waren dan hij of zij zelf in het ongeluk verzeild is geraakt en daardoor niet geheel tot ontwikkeling is gekomen - ten gevolge waarvan bijvoorbeeld je talenten zich nooit toonden zonder dat je daar zelf verantwoordelijk voor kunt worden gehouden- dan ben je volgens Jean Paul Sartre (de grote Franse filosoof uit met midden van de vorige eeuw) ‘ te kwader trouw’. Het is een ingewikkeld begrip en ik zal dat hier niet uitwerken. Het is voor nu voldoende te weten dat niemand kan (over)leven zonder ook ‘te kwader trouw’ te zijn, zelfs Sartre niet.

De vraag die met iedere autobiografie wordt opgeroepen is ‘Wie ben ik?’ Wanneer John Lennon en Yoko Ono de tekst ‘WAR IS OVER if you want it (Happy Christmas from John and Yoko)’ in enorme kapitalen laten vastlijmen op de grote billboards in New York is het hun autobiografisch tag op dat moment. Dat is wat zij zijn in december 1969. Zo beschrijven zij zichzelf. Zo maken zij zichzelf tot het beeld dat zij voor anderen willen vertolken. Met andere woorden: een autobiografie beschrijft nooit de werkelijkheid van een persoon, maar projecteert het beeld dat de persoon van zichzelf wil oproepen áls werkelijkheid.

Vragen we in de autobiografie naar wie of wat (naar persoon of ding)? Vragen we naar hebben of zijn? Ik beweer dat we vooral vragen naar ‘Ik’. Wie ben ik? Het is ook deze vraag die in verschillende vormen werd gesteld aan het orakel van Delphi. En als antwoord volgde een spreuk: een stroom klanken of woorden uit de mond van de priesteres van de tempel die door niemand werden verstaan; behalve eenmaal door Socrates die inderdaad wist dat hij de wijste was nadat het orakel dat had verklaard omdat hij er weet van had dat hij ‘niet-wist’.  Voor het overige gaf het orakel  raadselachtige antwoorden, rijk aan klank, gedrenkt in rook en vuur wellicht en altijd voor meerdere uitleg vatbaar.

Wie ben ik? Het is de eerste én de laatste vraag van de autobiografie. Je vraagt niet naar wat je bent geweest, je vraagt naar wie je nú bent. En daarmee vraag je naar wie je in de toekomst zult worden. Daarom schrijf je een autobiografie: uit nieuwsgierigheid naar hoe het er met je voorstaat en naar wat je nog zult worden in je leven. Maar ook met als oogmerk over de eigen dood heen voort te leven, om tenslotte nog enige harmonie te bereiken met het bestaan. Ik zou zeggen: give peace a chance!


6. Vergankelijke liefde (het plezier om te weten)
december 2018

Jaren nadien vroeg hij zich af of hij haar liefde in die tijd wel ooit had gekend. Die bijzondere aandacht, het voortdurend bij elkaar zijn zoals hij zich dat herinnerde, zelfs als de ander niet in de buurt was, en misschien dan juist nog sterker. Het beeld daarvan dat hij langzaam had opgebouwd waardoor de ander schitterde en waarin zij samen optraden, kende zij dat ook, had zij dat meegemaakt zoals hij?

En zelfs als het bij haar anders was gegaan, had hij dan ook eens zo volop geleefd in háár gedachten? Was dat een enkele keer gebeurd gedurende een korte periode in al die jaren dat ze elkaar hadden gekend, een paar uur voordat ze in slaap was gevallen of tijdens die logeerpartij bij familie van haar in het zuiden van het land? Hij kon zich daar vragen over stellen: had zij er iets ooit over opgeschreven, was zij daarop nog teruggekomen in een gesprek? Had zij hem bewaard zoals hij haar had bewaard?

Hij probeerde zich hun liefde te herinneren en op die dagen verstreken de uren grotendeels in ledigheid. Het was geen heimwee waardoor hij werd gedreven, geen nostalgie hoewel het daarbij soms dicht in de buurt kwam. Hij wilde weten. Weten zonder daaraan bij voorbaat enige betekenis toe te kennen, zonder er de oorzaak van te zoeken: le plaisir de savoir.

Daarom groef hij zich in het donker een weg door de oude tunnel naar een verleden waarvan hij meende dat het van hem was. En misschien van haar. Hij groef zoals een mol blind met spitse kop en breed uitgestrekte voorpoten naar licht graaft: alle energie gericht op onderaardse voetklemmen, onafwendbare gebeurtenissen, modderige voorvallen precies zoals het in de herfst kan zijn. Het was in die aarde waarin hij dan verbleef: glimmende natte zwarte grond onberoerd door vorst aan het begin van de winter. 


5.  Langzaam denken
november 2018           

Ik ben een langzaam denker. Misschien daardoor houd ik zo van de gesprekken met bezoekers van de filosofische praktijk. Even is er niet de druk om mij te haasten en evenmin is er noodzaak een ander op te jagen. Ik zeg zo weinig mogelijk in deze gesprekken, maar achteraf is het naar eigen opvatting vaak nog veel te veel wat ik onder woorden heb gebracht: wanneer ik bijvoorbeeld vaker dan noodzakelijk de opmerkingen van een bepaalde bezoeker heb herhaald, of ben blijven hameren op het scherper formuleren van de door hem of haar opgeworpen vragen. Ondertussen realiseer ik mij dat ik juist door langzamer te denken dichter in de buurt kan blijven van degene die tegenover mij zit.

Langzaam denken wil allerminst zeggen dat er niet of te weinig wordt gedacht. Evenmin wil het zeggen dat er onvoldoende aandacht is voor de ander of dat gedachten die geen deel uitmaken van het gevoerde gesprek zomaar de ruimte krijgen en mij als gesprekspartner wegvoeren uit het onmiddellijke van deze gesprekken, mij losweken uit het hier-en-nu. Zij (of hij) is aan het woord. Hij (of zij) kan eigenlijk dit hele uur in de spreekkamer volpraten, vaak met gemak, soms met lange stiltes. En dat is hetgeen ik probeer te volgen, dat alleen al kan aanleiding zijn voor verdere verdieping. Maar er is ook een andere kant aan dit verhaal: als ik vanuit mijn gespreksstoel een lange tijd niets of nagenoeg niets zeg, kan het zich ook omkeren en komt bij degene die heeft plaatsgenomen tegenover mij de vraag op ‘Als jij zo weinig zegt, waarvoor zit ik hier dan eigenlijk?’. Soms wordt dat ook uitgesproken. ‘Wel’, is het enige wat ik kan antwoorden, ‘om te denken, daarvoor ben je hier gekomen, nietwaar?’. Een enkele keer tegenwoordig voeg ik er het woordje ‘langzaam’ aan toe en al spreek ik het lang niet altijd uit, ondertussen formuleer ik dit voor mijzelf wel steeds vaker: langzaam denken.

Al met al is het dus een wederzijds kwetsbare situatie waarin we ons bevinden. Wanneer ik te veel zeg gaan de bezoekers met mijn (en niet met hun eigen) gedachten de deur uit. Zeg ik te weinig dan kan de aloude wens en gewoonte om direct weer antwoorden te formuleren de bezoekers opnieuw overmeesteren. ‘Welke vraag wil je jezelf nu stellen?’,  is meestal hetgeen ik voorleg aan de bezoekers tegen het einde van onze sessie, of ik herhaal de laatste vraag die door henzelf werd gesteld gedurende het gesprek: ‘Is dit de vraag die je wilt onderzoeken, die je met je mee wilt nemen naar huis?’ En als het de bezoeker op dat moment lukt om een vraag te formuleren waarmee hij of zij aan de slag kan, of blijk geeft van instemming met de gedurende het gesprek reeds geformuleerde vraag dan schrijf ik die vraag op. Soms maken we een volgende afspraak, soms ook niet en daarna gaat ieder van ons verder op zijn of haar eigen weg. Zo licht is het allemaal en zo dun dit langzame denken. Maar het is niet niets. Integendeel.


4. Serendipiteit                        

De gave om onverwacht iets goeds te ontdekken, is verbonden met Kairos. Bij Kairos vind je, zegt Heidegger in zijn hoofdwerk Sein und Zeit, de ‘volheid van een visionair ogenblik’. Kairos is het jonge, gespierde goddelijke kind dat voor verandering zorgt. Hij is de mythische god van de tijd en vooral van het geschikte moment. Kairos onderbreekt de continuïteit van de tijd waar de oude Chronos voor staat.

Het is Chronos die de wereld inricht en zorg draagt voor de praktische tijd: hij zorgt ervoor dat ieder uur op de wijzers van de klok niet verschilt van onverschillig welk ander uur op de wijzers van de klok, ad infinitum. Zo worden we door onze smartphones iedere ochtend gewekt op precies hetzelfde tijdstip, totdat er geen noodzaak meer is om een wekker te zetten want de biologische klok maakt ons inmiddels dagelijks wakker op ditzelfde moment, op de seconde af. Dan is Chronos ín ons komen wonen! Vanaf dat ogenblik worden we gestuurd door een onveranderlijke tijd, er lijkt geen ontsnappen meer mogelijk, met als consequentie dat de tijd een lege tijd is geworden.

Maar, gelukkige wezens die wij zijn, er is nog deze nieuwe god die ons begeleidt: Kairos, het jongste kind van de oppergod Zeus, niet alleen jong maar ook mooi. En zo kan het geschieden dat zich gelegenheden voordoen waarop schoonheid verschijnt. Dit zijn eenmalige ogenblikken waarop het nieuwe kan worden omvat, nu of nooit, het zijn de beslissende momenten om te besluiten en te handelen.

Wanneer de spontaniteit van Kairos als thema verschijnt, kan er niet langer om de hete brij worden heen gedraaid - leugenachtigheid tenslotte is een van die grote menselijk tekorten waarvan we ons moeten zien te bevrijden; leugenachtigheid is angst, niets meer of minder-. Zo worstel ik al een leven lang met de kwestie van het schrijverschap. Dat heb ik jarenlang tot een strijd kunnen reduceren tussen een bij mijzelf verondersteld tekort aan verbeelding enerzijds, en anderzijds de ontoereikendheid van de vorm of stijl die ik hanteer of hanteerde. Maar het is een leugen! Gevoed door terughoudendheid was er gedurende al deze jaren voldoende aanleiding om juist níet aan dit werk te beginnen waarnaar ik verlangde! Ik was steeds hetzelfde vluchtdier tot ik de jonge god van de tijd - met de Latijnse naam Caerus - kortgeleden gevleugeld en in reliëf gebeiteld terug zag aan een gevel op de Nieuwe Markt in de hanzestad Deventer.


3.  De onmogelijke ervaring

Deze zomer verbleef ik een aantal dagen in de Rhône-vallei in een zonovergoten Frankrijk met mensen die gepassioneerd houden van filosofie en literatuur. Nu wij elkaar in de loop der jaren beter hebben leren kennen, benaderen we elkaar als vrienden. Dat is prettig en in zekere zin geruststellend: hoewel nog niet aangeland in de schemer van het leven, behoren wij ook niet meer tot de allerjongsten.

Er stonden diverse titels en inleidingen op het programma: de Aeneis van Vergilius; de laatste romans van J.M. Coetzee en verder onder meer boeken van Stefan Hertmans, zijn recente roman De Bekeerlinge en wat oudere essays van zijn hand verzameld in de heruitgegeven bundel Het Bedenkelijke. In het essay 'Over gerontofobie' toont Hertmans oudere mensen die er alles aan doen om jong over te komen en hij bespreekt hun wellicht wezenlijkste angst, namelijk dat de héle wereld zal verdwijnen met de eigen dood. Maar ondertussen is het tekenend voor onze tijd dat men bij het ouder worden afstevent op een finaliteitsproces waarop men amper wordt voorbereid.

In Sparta in het antieke Griekenland vormde de raad van oudsten, de gerontes, de senaat. Men ging ervan uit dat met het stijgen van de jaren ook inzichten over het menselijk bestaan werden opgedaan waarop beslissingen gebaseerd konden worden. Een van die inzichten zou kunnen zijn dat de mens als enige wezen geboren is met het besef te zullen sterven, en dat het zijn ‘existentiële opdracht’ is met dit besef in het reine te komen. Maar de ‘wijze grijsaard’ is verdrongen en veel vaker zal blijken dat het aan een helder begrip over de onvermijdelijke eigen aftakeling tijdens het leven zelf heeft ontbroken. Meer dan ooit, aldus Hertmans, heerst een taboe op Heideggers Sein-zum-Tode.

Tijdens mijn reis naar het zuiden kreeg ik te maken met een even onverwacht als serieus insult. Ik werd midden in de nacht vanuit onze chambre d’hôtes dwars door een donker bos en over de velden van midden-Frankrijk per ambulance vervoerd naar het hospitaal van Bar-le-Duc. Toen ik in die middag weer naar buiten mocht, was het autorijden mij verboden. Na een taxirit van drie uur kwamen we diezelfde avond toch nog aan in het hotel waar we met een aantal vrienden hadden afgesproken, gezamenlijk zouden eten en overnachten. Zij waren allen zeer behulpzaam waardoor het ook de volgende dag mogelijk was de reis naar het zuiden te vervolgen.

Nadat we aan het eind van de middag daar arriveerden en onze kamers waren toegewezen, was het hoog tijd om even rust te nemen. Voordat ik in slaap viel, levend en wel, las ik het volgende: ‘telkens als we ervaren dat iets of iemand nooit meer terug zal komen, oefenen we ons in het feit dat we niet eeuwig zullen leven en er helemaal geen terugkeer in zit voor ons.’ Aldus, zo betoogt de filosoof Luc Ferry, is de dood wel degelijk onderdeel van ons leven, als symbolische oefening. En was het niet Derrida, bedacht ik me, die schreef dat een van de wezenlijke kenmerken van het menselijk leven is de dood 'als onmogelijke ervaring' te kúnnen denken?


2.  Onbevangen lezen en onbevangen denken        

In de Argentijnse winter van 1977 hield Jorge Luis Borges in Buenos Aires een aantal voordrachten die in 1983 in het Nederlands verschenen onder de titel Zeven Avonden. De bijna tachtigjarige blinde dichter, essayist en schrijver van korte verhalen werd op dat moment algemeen beschouwd als de belangrijkste nog levende schrijver. De eerste van zijn voordrachten behandelde de Divina Commedia van Dante.
Dante Alighieri voltooide het werk rond 1320. Na de bijbel is deze middeleeuwse tekst wel het meest verklaarde en bestudeerde werk uit de wereldliteratuur. Voor Borges was De goddelijke komedie een sleutelboek, het summum van de literatuur. Hij had de Commedia voor zijn eerste lezing gekozen omdat hij geen ander boek hem 'zulke intense esthetische emoties’ bezorgde.

Borges beschouwt de Commedia als een boek dat wij allemaal moeten lezen. In zijn Hel, Louteringsberg en Paradijs zet Dante ons op het spoor dat het hiernamaals er precies zo uitziet als hij het beschrijft, alsof wij een waar verhaal aan het lezen zijn. Daar komt bij dat het niet over moeilijke lectuur gaat. ‘Moeilijk’, zegt Borges, ‘is wat zich achter de lectuur bevindt: de meningen, de discussies; maar het boek op zichzelf is kristalhelder’.
Aan het einde van zijn lezing adviseert Borges zijn toehoorders als lezers gewoon vast te houden aan het verhaal en, zeker in het begin, de scholastiek te vergeten, de politieke verhoudingen, net zoals de mythologische toespelingen in het verhaal en zelfs de verzen van Vergilius. Eerst het onbevangen lezen, daarna komen de commentaren.

Onbevangen lezen dus, je allereerst openstellen voor wat de tekst oproept en teweeg brengt, niet meer, niet minder. Ik vraag mij af of een dergelijke onbevangen houding kan worden verbreed en ook zinvol is voor iedereen die zich voor filosofie interesseert. Het lijkt met elkaar in tegenspraak: is filosoferen niet juist het heel precies en zorgvuldig verdiepen van ons denken, staat onbevangenheid ons daarbij niet in de weg, moeten we onze aanvankelijke onbevangenheid niet juist laten varen? 

Wanneer je onbevangenheid ziet als een vorm van argeloosheid doemt er een probleem op. Maar wanneer je filosofie benadert als een landschap om doorheen te dwalen, met aandacht en een heldere blik, als een omgeving om  af en toe even in stil te staan, dan wordt filosofie een avontuur dat zowel persoonlijk als collectief is en de vorm aanneemt van denken met een wijdse blik. Zo opgevat is onbevangen denken een andere vorm van filosofisch redeneren.


1. Hoe 'hip' is filosofie eigenlijk?   

Omdat ik de ontwikkelingen op het gebied van de praktische filosofie in grote lijnen volg, komen er in mijn mailbox veel nieuwsbrieven binnen rond dit onderwerp. Deze hebben betrekking op overal in het land georganiseerde filosofische lezingen, seminars, opleidingen, interviews, zomerweken, festivals of ‘events’. Regelmatig wordt er een link meegestuurd naar een kort essay of filmpje van een filosofisch ‘ondernemer’ of blogger.  Het is opvallend hoezeer het aanbod de laatste jaren is toegenomen. Alsof ieder werkwoord en zelfstandig naamwoord recht heeft op een eigen cursus en een uitnodiging is tot reflectie. En alsof er geen andere publieke activiteiten kunnen plaatsvinden (food, music, drinks, film, dance) zonder dat daarbij op het affiche speciale ruimte wordt toegekend aan filosofie. Filosofie is een publiekstrekker, en het lijkt dan ook terecht en vanzelfsprekend dat er op allerlei podia wordt geconcludeerd dat filosofie ‘in’ is. En inderdaad waren er bij de meetings die ik de laatste tijd heb bijgewoond ook voldoende bezoekers aanwezig om te durven veronderstellen dat het betreffende evenement zelfs financieel verantwoord was. Kortom, filosofie is hip. En business.

Wat dat laatste betreft zijn er een paar grote spelers. De Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden is haar hotelaccommodatie voor de tweede keer flink aan het uitbreiden en het aanbod aan zomercursussen, langlopende opleidingen en weekend-programma’s is overweldigend. Hetzelfde geldt voor de cursussen en brede publiekslezingen die worden georganiseerd door  The School of Life en die op een niet mis te verstane wijze wekelijks worden aangekondigd via felgekleurde nieuwsbrieven. De Amsterdamse organisatie is een franchisenemer van de in Londen gevestigde School of Life.  Zeer recent is er in de hoofdstad een nieuwe locatie betrokken op het  Frederiksplein met koffiebar, gestempelde koffiebekers, een winkel en cursusruimten waar alle avonden van de week bezoekers een vlotte introductie krijgen op alle denkbare en om aandacht vragende thema’s, waar klassieke filosofen worden geïntroduceerd voor een algemeen publiek, en waar nieuwe filosofen met enige naam en faam voor het voetlicht worden gebracht. Waar de ISVW in Leusden vooral goed scoort onder in filosofie geïnteresseerde vijftigers en zestigers, is het publiek in Amsterdam jonger en vind je daar meer de dertigers en veertigers. Verder is het tijdschrift Filosofie Magazine zeer actief op het gebied van de promotie en organisatie van filosofische programma’s en worden er filosofisch geïnspireerde internationale cultuurreizen door het tijdschrift gecoverd. En dan zijn er natuurlijk nog de talloze kleinere organisaties en zelfstandige ondernemers met activiteiten, lesprogramma’s, zomercursussen op landelijk gelegen locaties in Griekenland of Frankrijk; de initiatieven en programma’s van Human; de bijeenkomsten van universiteiten in het kader van Studium Generale programma’s; filosofische cafés en socratische gespreksgroepen.

Je kunt je bij dit fors groeiende aanbod ondertussen afvragen hoeveel het merendeel van deze initiatieven daadwerkelijk nog met het filosoferen zelf te maken heeft. Hoeveel tijd wordt daaraan besteed? En daarbij komt dan de vraag op: hoe ver-hipt is filosofie eigenlijk? En als filosofie kennelijk ook nog een nieuw speelveld is geworden in de markt, moet je je dan niet afvragen of er bij al deze gelegenheden niet juist nadrukkelijk teveel over filosofie wordt gesproken: over de ‘ditjes en datjes’ rondom het filosoferen, wat er waar gebeurt, door wie het verhaal wordt verteld, waarover het deze keer gaat en waarover de vorige keer werd gesproken, wie er toen waren, hoe bekend iemand is, of het onderwerp ook betrekking heeft op je eigen individuele leven en geschiedenis, wat erover in de bladen is geschreven? Kortom, gaat het op al deze podia niet voortdurend over randfactoren die eerder deel uitmaken van een social media achtige agenda dan dat er sprake is van verdieping en reflectie? Of ben ik, als filosoof, nu al te elitair bezig en gaat het allang niet meer over wat filosofie in essentie is: het stellen en onderzoeken van vragen? 

Bert Mertens

Doorgaans loop je minder risico, wanneer je minder bang bent.

Livius, Geschiedenis van Rome